maandag 20 juni 2011

Verloren tijd



Net terug van mijn vader. Die in de donkere kast lang zocht naar illustraties van zijn herinneringen. Ik zag zijn gebogen gestalte en onderdrukte mijn emotie. Dat doen wij zo.
Hij wil het dolgraag allemaal nog vertellen, nu het nog kan, maar het zoeken naar woorden neemt nét iets teveel tijd in beslag. Van mij mag het, maar ik voel hoe hij wat wanhoopt soms, en ook nog hoopt, dat wij het niet merken. 
Hij kwam aan met drie foto's uit 1949.





1
Ergens in deze grote massa staat hij, P.H. Schripsema, verkleed als matroos, tussen de andere verklede meneren, die eigenlijk achter hun bureau of toonbank moesten staan. Hoe ongelukkig ze allemaal zijn weet de bekijker van deze foto niet. Als kind bekeek ik alle foto's wel honderd keer, (bij gebrek aan prentenboeken denk ik) en zocht tevergeefs naar mijn vader in deze grote massa.





2
In rijen van 3 marcheren de jonge mannen over het plaveisel. De middelste slanke matroos van de rij die eraan komt, met de mooie rechte houding, dat is mijn vader (aan zijn linkerzijde een weke figuur met flapbenen) 
Waarom doet hij zo zijn best, vroeg ik me af. Het hele idee van de massale uniformiteit is te absurd, maar dat is het helemaal als je eigen vader daarin opeens is verschenen. 
Hij was toen net een half jaar getrouwd. Mijn moeder woonde opeens zonder hem bij mijn grootouders in huis, en hij wist hoe rampzalig dat was. Ze miste mijn vader te erg en kon niet met mijn grootvader opschieten; die stond namelijk steeds achter haar om te controleren of ze het vlees wel goed afsneed, of de klanten wel op de juiste manier bediende. En nee, het was nooit goed genoeg. 
Wat als haar trauma op hem afkwam kon hij toen misschien niet voldoende bevatten. En nu is hij vol compassie met haar, toen.




3
Na dat halve jaar was het ineens afgelopen met de dienstplicht. Het was een vergissing, 't had niet gehoeven. Hij mocht naar huis. Wat een blij gezicht (het middelste) en wat een klein koffertje.
Maar die zeven verloren maanden, daar heeft ie nu nog de pest over in.


zaterdag 11 juni 2011

Herbergende Kloostergedachten


Als in een droom op zoek naar de Herberg. Eerst eromheen lopen en naar binnen kijken. Wie waren mij hier vóór? Is het een gezegende plek, of krijgt men er kwesties?


Als het kon deed ik dit: Wat geld op de toog leggen en voor een paar dagen wat te eten en drinken krijgen, en een bed. Praten of zwijgen kost niks. In een stille kamer zitten schrijven ook niet. 


Het is Pinksteren, en wij gedenken de uitstorting van de Heilige Geest. Die vind ik van de drie altijd het sympathiekst. En nu net las ik, dat er in de Joodse voorschriften bij Pinksteren staat genoteerd dat er een samenkomst moest worden gehouden en dat niemand zijn gewone werk mocht doen. Kijk, en dat bedoel ik nou. Daarvoor is een Herberg nodig, of een Klooster, of desnoods een buurt met goede buren, waar de individu zich geborgen weet.
Mij lijkt dat die geest zich daar thuis voelt.




Kijken door het raam van de Herberg 'Rust en Weinig'
Waterput
Kloostermoppen op de grond


zaterdag 4 juni 2011

Oud mens uit 1924



Mijn vader zei, 
nadat hij een wandelingetje gemaakt had,
dat hij er moe van geworden was.
En toen zei hij:
ik kan al merken dat ik een oud kereltje ben.